Om half vijf ‘s ochtends wakker schieten van de kater des huizes die blazend binnenstormt. Uit bed springen. Met de kleine teen keihard tegen een stoel stoten. Onchristelijk luid vloeken. Naar beneden spurten. Terug naar boven lopen en iets aantrekken. Onderweg een wapen meegrabbelen. Op blote voeten de straat op rennen. Met de hiel van de linkervoet recht in een scherp steentje trappen. Wild zwaaien met een rechter tennisschoen. ‘Ksssssjjjjt!’ sissen.
Vervolgens vijf minuten lang zonder bril rondturen op zoek naar de kat die de kater de la casa terroriseert. Ondertussen vervaarlijk blijven zwaaien met die schoen.
Afdruipen. Het steentje uit de hiel peuteren. Terug in bed kruipen. De echtgenoot een paar stompen verkopen omdat hij inmiddels diagonaal in bed ligt en het donsdeken heeft gemonopoliseerd. Kijken naar de wekker tot hij afloopt.
Zucht.